1993 – 2012

De Politie is na de samenvoeging van de Rijks- en Gemeentepolitie, als volgt georganiseerd. De twee verantwoordelijke ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie blijven ook na de reorganisatie verantwoordelijk voor de Nederlandse Politie. De minister van Binnenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de toezicht op de Openbare Orde, terwijl de minister van Justitie verantwoordelijk is voor de toezicht op de opsporing van strafbare feiten.

De Korpschef, hoofdcommissaris van politie, is de hoogste baas van de regionale politie. Daarnaast zijn er districtschefs, commissaris van politie, die het hoofd zijn van een district van de regio. In het district zijn hoofd- en inspecteurs aangesteld als hoofd van een afdeling, zoals recherche, politiezaken, facilitaire dienst en van een team. Elk district van een regio is weer onderverdeeld in teams. Nederland is verdeelt in 26 politieregio’s, zie onderstaand overzicht, en 1 ondersteunende korps het Korps Landelijke Politie Diensten (K.L.P.D.). De KLPD heeft dus een ondersteunende functie voor alle politieregio’s in Nederland. Waaronder de Verkeersdienst, Levende Haven (Paarden en Honden), Divisie Logistiek (Kleding).

De rangen

Je ziet politieagenten wel rondrijden in de auto, fietsen op bijvoorbeeld een mountain-bike of lopen. Zij hebben allemaal een teken op de schouders, die aangeeft welke rang de man of vrouw binnen het politiebestel heeft. Maar wat is nu wat? Daar waar over ‘hij’ wordt gesproken, kan uiteraard ook ‘zij’ worden gelezen. Iedere politieagent beschikt over een aantal bevoegdheden. Hoe hoger men in rang komt, hoe meer bevoegdheden de persoon tot zijn beschikking heeft. Vanaf de rang van inspecteur kan de persoon optreden als hulpofficier van justitie. Hij treedt dan op in plaats van de Officier van Justitie en kan daarbij (beperkt) gebruik maken van de bevoegdheden van de Officier van Justitie. Bij de dames geldt, dat de gouden tekens, die op de herenpetten staan ook op de dameshoedjes terug te vinden zijn. Dus hoe meer goud op het hoedje, hoe hoger de rang. Maar wat voor werk doet een persoon met een bepaalde rang nu precies?

Aspirant: De aspirant zit nog in opleiding. In de tijd dat hij op school zit heeft hij geen enkele bevoegdheid. Maar tijdens de opleiding loopt de aspirant ook stage en gedurende die tijd heeft hij dezelfde bevoegdheden als de agent.

Surveillant: De surveillant zie je vaak lopen in het centrum van de stad. Hij heeft er voor te zorgen, dat kleine overtredingen, zoals fietsen in het wandelgebied niet voorkomt. Mocht dat wel gebeuren kan hij daar een bekeuring voor uitschrijven. De surveillant doet weinig tot geen bureaudienst en draagt alleen een wapenstok als wapen.

Agent: Wat mag die agent dan wel allemaal doen. Eigenlijk mag de agent alles doen wat de politie via de wet aan bevoegdheden heeft gekregen. Daar zit weinig tot geen beperking aan. Ben je agent, dan ben je op en top politieman en kun je de straat op om te bekeuren, aanrijdingen op te knappen of ruzies te bespreken. Een agent/hoofdagent kan ook wijkagent worden en heeft dan de politieverantwoording voor een bepaalde wijk/team. Uiteraard heeft een agent ook bureaudienst. In die tijd neemt hij aangiftes op, zet deze in de computer, neemt verklaringen op van verdachten, maakt proces-verbaal op, verwerkt de aanrijdingen die hij de dag daarvoor heeft behandeld en spreekt met de mensen, die om wat voor reden dan ook aan het bureau komen. De agent draagt alle bewapening, die de politie in huis heeft, dus het vuurwapen, de handboeien, de wapenstok en de peperspray.

Hoofdagent: De hoofdagent heeft precies dezelfde bevoegdheden als de agent. Deze agent loopt alleen al minimaal 3 jaar mee in de praktijk en wordt vanwege goed presteren automatisch tot hoofdagent bevorderd.

Brigadier: De brigadier heeft bijna altijd een coördinerende taak over een onderdeel van het politiewerk. Op ieder bureau zijn een paar brigadiers met coördinerende taken, zoals verkeer, criminaliteit, veldwetten, openbare orde, milieu. De brigadier kan ook wijkagent zijn, hij is dan verantwoordelijk voor een bepaald gebied van de stad of wijk van het team. De brigadier maakt voor zijn taakgebied plannen die dan worden uitgevoerd door de (hoofd)agenten. Daarnaast doet de brigadier ook de werkzaamheden die de agent doet.

Inspecteur: De inspecteur heeft de algehele leiding over een politiebureau. Hij regelt dat alles binnen het bureau goed verloopt. Hij regelt de planning van de diensten, bezoekt veel vergaderingen, heeft wekelijks een praatje met de burgemeester, maakt nieuwe plannen bekend en houdt functioneringsgesprekken met alle medewerkers in het bureau. Daarnaast zorgt hij ervoor dat het bureau is en blijft voorzien van goed materiaal.

Hoofdinspecteur: Deze rang kan twee functies hebben. De ene is dat hij de algehele leiding heeft van een groot bureau, de ander is dat hij beleidsmedewerker is op het districtsbureau en daar dus het beleid uitstippelt voor het hele district. Een district bestaat uit meerdere politiebureaus (teams).

Commissaris: De commissaris is de leider van een district. Hij doet in feite hetzelfde werk als de inspecteur, maar dan op districtsniveau. Hij is bijvoorbeeld degene, die functioneringsgesprekken houdt met de inspecteur om diens functioneren te beoordelen. Een commissaris kan ook een beleidsmedewerker zijn, maar dan op regioniveau. Een regio is een verzameling van meerdere districten bij elkaar.

Hoofdcommissaris: Nederland heeft 26 politieregio’s en daarom zijn er ook 26 hoofdcommissarissen, die regiochef zijn. De regiochef is uiteraard de baas van de regio en zorgt er voor dat alle zaken binnen de regio op rolletjes lopen en blijven lopen.

Welke uitrusting heeft een agent en wat zijn de vervoermiddelen bij de politie?

Een agent heeft tegenwoordig heel veel spullen bij zich. De broekriem is nagenoeg vol als de agent alle spullen meeneemt en aan de riem hangt. Allemaal spullen, die de agent voor zijn dagelijkse werk nodig heeft of nodig kan hebben. Een agent heeft de volgende dingen bij zich:

Het pistool: Dit is een Walther P-5 en weegt 1,5 kilo gaat. Er wordt 4 keer per jaar mee geoefend op een schietbaan. de agent moet dan een percentage van de schoten raak schieten om te slagen.
De gummiknuppel: Deze zit in een speciale zak in de broek. De gummiknuppel is heel hard en gemaakt van een houten stok met rubber erom heen.
Handboeien: Ze worden gebruikt om mensen zonder al teveel moeite naar het politiebureau te brengen.
Een reservehouder met patronen voor het pistool: In het pistool zit al een houder met 7 patronen en 1 patroon in de kamer van het pistool. In de reservehouder zitten nog eens 8 patronen.
Een portofoon: Dit is een heel belangrijk apparaat. Deze zorgt er namelijk voor dat je altijd contact kunt hebben met de meldkamer. Als de politieman/vrouw in de problemen komt, kan hij/zij altijd de meldkamer oproepen en kan hulp worden gestuurd.
Een bonnenboekje: Een van de werkzaamheden van de politie is controleren en daar waar nodig bonnen schrijven. Hiervoor heeft hij een bonnenboekje bij zich. Daarin zitten eigenlijk twee boekjes. In een boekje staat precies welke boete staat op welke overtreding en in het andere boekje schrijft de agent de bekeuring.
Een opschrijfboekje voor andere zaken dan een bon: Naast het bonnenboekje heeft de agent ook een opschrijfboekje bij zich. Dingen, die mensen vertellen en wat opgeschreven moet worden wordt in dit boekje geschreven.
Peperspray: De peperspray wordt in een aantal regio’s al gebruikt op proef. Met dit spuitbusje kan de agent bij heel lastige personen een goedje in de ogen spuiten, waardoor die lastige persoon meteen niet meer lastig is. In 2003 in heel Nederland in gebruik.
Een ring om de handlamp in te kunnen hangen: In de politieauto zitten twee handlampen. Als de agenten uit de auto gaan om bijvoorbeeld ‘s nachts over het industrieterrein te lopen pakken ze altijd de lamp mee. Omdat de lamp steeds vasthouden wel wat lastig is, hangt aan de broekriem een ring, waar de zaklamp precies in past.
Een GSM-telefoon: Tegenwoordig heeft de agent die “op dienst” gaat altijd een GSM-telefoon bij zich. Soms zijn er meldingen, die men niet via de portofoon of mobilofoon wil geven. De agent wordt dan gewoon opgebeld.

Uitrusting in/op de politieauto

  • De mobilofoon: Hiermee kan de agent contact krijgen met andere politieauto’s en met de meldkamer.
  • Zwaailicht en sirene: Voor de spoedgevallen om de mensen te waarschuwen dat hij haast heeft. De andere weggebruikers moeten dan plaats maken voor de politieauto.
  • GPS navigatiesysteem: Met GPS kan de meldkamer van de politie altijd zien waar de politieauto op dat moment is. Zo kan de meldkamer zien welke auto het dichtst bij de plaats zit, waar bijvoorbeeld een aanrijding is gebeurd en kan hij deze auto de opdracht geven om deze aanrijding te behandelen.
  • Een in plastic verpakte achterbank: Iedere politieauto heeft een in plastic verpakte achterbank. het komt nogal vaak voor dat de mensen, die worden gearresteerd behoorlijk dronken zijn en in de auto moeten overgeven.
  • Stopborden voor en achter: Op dit stopbord staat aan de voor- en achterkant de woorden: “STOP-POLITIE”. Deze worden om de beurt aangezet, dus eerst STOP en dan POLITIE.
  • Het stopbord aan de achterkant kan ook de tekst “VOLGEN” laten zien. De auto achter de politieauto moet de politieauto dan volgen naar een plek waar veilig gestopt kan worden.
  • Extra schijnwerpers aan de voorkant en zijkant van de zwaailichtbalk: In de zwaailichtbak op de politieauto zitten aan de zijkanten en aan de voorkant extra schijnwerpers. De schijnwerpers aan de zijkant zitten er in omdat de politie ‘s nachts nog wel eens een huisnummer moet zoeken. Lang niet alle huisnummers zijn ‘s nachts goed zichtbaar. De lampen aan de voorkant zitten er op om bijvoorbeeld bij een aanrijding extra licht te hebben.
  • Veiligheidsvesten: Dit zijn de oranje vesten, die bijvoorbeeld ook de verkeersbrigadiers aan hebben. Bij de politie staat het woord “Politie” op de voorzijde en op de rug.
  • Rode kegels: Deze rode kegels worden gebruikt om de plaats van een aanrijding af te kunnen zetten.
  • Reddingstouw: In iedere politieauto zit een klosje met ongeveer 50 meter touw. Deze wordt gebruikt om mensen, die in het water liggen er uit te kunnen trekken.
  • Gordelsnijder: Voor bij een aanrijding, als de mensen vast in de gordel zitten. Deze hoort eigenlijk in iedere auto te liggen, want het kan je leven redden.
  • Een teddybeer: Veel politieregio’s hebben een paar teddyberen in de auto liggen. Als een kind wat ergs is overkomen, zoals bijvoorbeeld een aanrijding, krijgt deze een beertje van de politie. Die beer is op dat moment vaak het beste vriendje van dat kind.
  • Brandblusser: Zou ook in iedere auto moeten liggen. Om een kleine brand te blussen.
  • EHBO-kist: Je weet maar nooit wanneer je die nodig hebt. Gelukkig is de ambulance ook altijd heel snel op de plaats van de aanrijding, dus hoeft de politie bijna nooit eerste hulp toe te passen.
  • Extra kist met gereedschappen: Hamer, tang, schroevendraaier en dat soort gereedschap.
  • Krijt: De politie gebruikt krijt om een aanrijding op straat af te kunnen tekenen.
  • Kogelwerende vesten: Soms is het politiewerk heel gevaarlijk. het kan gebeuren, dat de agenten worden geroepen bij een bankoverval. Dan worden altijd de kogelwerende vesten aangetrokken. Deze vesten beschermen de borst, buik en rug tegen schoten van de verdachten. De klap van zo’n schot is wel heel hard en de politieman/vrouw kan er bewusteloos van raken, maar zo’n schot is niet dodelijk.
  • Bandengroefmeter: Bij een verkeerscontrole worden ook de banden van de auto’s bekeken. De banden moeten minimale groeven (profiel) hebben van 1,6 millimeter. De bandengroefmeter meet hoe diep de groeven van de banden zijn.
  • Computer: In sommige regio’s zitten complete computers in de auto. De melding van de meldkamer komt dan op het scherm te staan en kan zo worden gelezen. Dit systeem is niet af te luisteren.
  • Hondenband: Soms wordt de politie gebeld voor een agressieve hond. Als deze hond dan gepakt is, moet deze toch aangelijnd worden. daarom ligt er altijd een hondenband met lijn in de auto. Vaak ligt er ook een stok om de hond te vangen in de auto. Dit is een lange holle stok, waarin een dubbele snoer loopt. Aan het einde van de stok vormen die twee snoeren een lus, die om de nek van de hond kan worden gelegd. Daarna wordt de snoer vast getrokken en kan de hond nergens meer heen.
  • Doktershandschoenen: Soms krijgt de politie te maken met bloedende mensen. Omdat er tegenwoordig heel veel te doen is over AIDS, heeft de politie altijd doktershandschoenen in de auto liggen. Hiermee wordt besmetting door het bloed voorkomen.
  • Papieren en plastic zakken: Deze worden gebruikt om eventuele sporen, die worden aangetroffen bij een inbraak of aanrijding veilig op te kunnen bergen. Op die zakken kan met een viltstift worden geschreven waar de spullen bij horen. Ook in beslag genomen spullen worden in plastic zakken bewaard. Deze zakken zijn altijd afsluitbaar.
  • Een veiligheidshelm: In een aantal regio’s is verplicht gesteld, dat men bij een bezoek aan een bouwplaats een veiligheidshelm op moet zetten.
  • Digitale camera: Voor het vastleggen van gevonden sporen op foto of bij aanrijdingen waarbij de schade opgenomen moet worden.
  • Dekens: Bij een aanrijding heeft degene, die de aanrijding heeft gehad het vaak heel koud. Dit komt van de schrik. Daarom krijgt deze persoon een deken aangeboden voor de warmte.
  • Alcoholcontroleapparaat: Een bestuurder kan gevraagd worden om hier in te blazen. Met dit apparaat kan de politie op straat al zien of iemand te veel gedronken heeft. Als hij veel te veel heeft gedronken moet hij mee naar het politiebureau. Daar staat een apparaat die precies kan aangeven hoeveel de bestuurder heeft gedronken.

De politie heeft nog veel meer voertuigen, de bekendste daarvan zijn:

  • ·Motoren
  • ·Fietsen
  • -Mountainbikes
  • ·Paarden
  • ·Skeelers (vooral Amsterdam)
  • ·Scooters
  • ·Helikopters
  • ·Boten
  • -Paarden

 

Wat waren de werkzaamheden en wat was het aanzien van de politie?

Na de reorganisatie die ingezet is in 1989 en voltooid in 1994, moest de samen gevoegde Rijks- en Gemeentepolitie één politie uit gaan stralen die voor iedereen herkenbaar is. Dus één uniform, dezelfde soort voertuigen met eensluidende striping (= reflecterende rode en blauwe strepen op de voertuigen) en dezelfde werkzaamheden voor de politie Nederland. Het streven was een duidelijke eenheid voor de politie. De politieagenten van de surveillancedienst kregen meer schriftelijk werk doordat de processen verbaal door de politieagenten zelf opgemaakt moesten worden. Voorheen werden de processen verbaal door bijvoorbeeld de afdeling recherche afgehandeld bij een strafbaar feit, misdrijf. Hierdoor zit een politieagent veel op het bureau om zijn schriftelijk werk af te handelen. Dit gaat ten koste van het “Blauw” op straat, waar de regering met de reorganisatie op meer agenten op straat had gerekend. De afdelingen Recherche, Jeugd- en Zedenpolitie, Milieu en Financiële afdelingen, werden in het regiokorps samengevoegd. De afdeling recherche ging zich alleen nog bezig houden met grote recherche onderzoeken zoals moord, zware mishandelingen, grote fraude zaken enz.

Door het bovenstaande kwam er dus minder “Blauw” op straat en voelden de meeste burgers zich onveilig op straat. Dit kwam ook door het toenemen van het zinloos geweld en het afnemen van de normen en waarden van burgers ten opzichte van de overheid, met name de politie. In de politiek ligt het onderwerp Politie erg gevoelig als het gaat om de inhoud van de werkzaamheden van de politieagent op straat in het algemeen en de handhaving van de openbare orde in het bijzonder. De vraag die regelmatig gesteld wordt is: “Moeten er meer agenten aangesteld worden?”, of “Moeten agenten niet anders of efficiënter gaan werken?”. Voor de verkiezingen gebruiken de politieke partijen de politie altijd in hun partij campagne om stemmen te winnen. Meestal hebben de politieke partijen een heldere mening over de inzet en veranderingen bij de politie.

Na de reorganisatie is het Bedrijf Opvang Team (BOT) opgericht. Dit team wordt opgeroepen bij ernstige voorvallen waarbij een politieagent betrokken is geweest. Bijvoorbeeld een ernstig verkeersongeval, reanimatie, zelfdoding, voorvallen waarbij kinderen betrokken zijn, enz. In het BOT zitten politieagenten die collega’s ondersteunen. Dit wordt gedaan omdat het makkelijker is tegen een bekend persoon te praten dan tegen een vreemde. Het BOT gesprek is er om even stoom af te kunnen blazen en het voorval op een rijtje te zetten.

In de grote steden in Nederland mag de politie in probleemwijken preventief fouilleren. Dat wil zeggen dat de politie controles mag houden op het dragen van wapens en/of het in het bezit hebben van drugs. Hiervoor kan de politie elke burger in die wijk een onderzoek aan en in de kleding doen. Ook komt er steeds meer videobewaking.

Na de reorganisatie van de Gemeentepolitie met het Korps Rijkspolitie tot De Politie in 1993 veranderde er op economisch gebied erg veel bij de politie.

Door verandering van de werkzaamheden van de politiemensen in de surveillancedienst werd het werk in en achter het bureau steeds meer en moeilijker. Doordat er geen specialisme meer mocht bestaan bij de politie moest elke politieman of –vrouw een zogenaamde allrounder worden. De afdelingen Recherche en Jeugd en Zedenpolitie worden drastisch ingekort. De aangiften aan het bureau van politie werden opgemaakt door politiemensen die ook het onderzoek zelf moesten gaan doen en daarna het proces-verbaal opmaken. Dit was nogal arbeidsintensief en hierdoor kwam de politieagent steeds meer achter een bureau te zitten in het politiebureau. De processen-verbaal moesten ook veel uitvoeriger en uitgebreider opgemaakt worden doordat de verdachten en hun advocaten steeds mondiger werden en het politieoptreden steeds meer in twijfel trokken. Ook kwamen door een hardere en uitvoerige rechtszitting veel zaken bij de rechter voor. De burgers pikten niet zomaar dat ze bekeurd en bestraft werden. Veelal werd door een rechtszitting getracht onder de straf uit te komen. Dit bezorgde een politieagent ook meer werk met processen-verbaal die nagestuurd moesten worden.

De bureaucratie die door de nieuwe werkwijze bij de politie is gecreëerd gaat ten koste van het “blauw” op straat. Dit verhoogt het gevoel van onveiligheid bij de burgers en worden de tijden tussen de melding van een voorval en het arriveren van de politie ook steeds langer. Zelfs de politiek gaat zich bemoeien met de inzet en de werkzaamheden in z’n totaliteit van de politie. Er moeten specialisten komen om de grote en grove criminaliteit te bestrijden zoals: zinloos geweld; computercriminaliteit, drugs etc. Ook moet de politie meer in wijken gaan werken en zodoende meer op straat aanwezig zijn. Door de invoering van wijkteams en het werken in kleine teams is het politiewerk erg toegenomen doordat de burger meer aangifte ging doen, door deze laagdrempelige werkwijze kreeg de politie meer processen-verbaal te verwerken. De discussie die nu door de ministers en de politietop wordt gevoerd gaat over de vraag of er meer politieagenten bij moeten komen om al het werk aan te kunnen. Men spreekt dan over 7.000 politieagenten erbij in Nederland of de politie moet efficiënter gaan werken dus de bureaucratie moet ingedamd worden. De processen-verbaal eenvoudiger gemaakt worden en er moet een “Lik op stuk beleid” komen, na een overtreding volgt er direct een straf.