1940 – 1945

De periode tijdens de oorlog

Organisatie

Aan het begin van de oorlog kwam een “Reichskommissar fur die Niederlande”, die geholpen werd door een aantal commissarissen-generaal. Een van deze commissarissen-generaal was Hanss Rauter. Deze kreeg het bevel over de Waffen-SS en de Duitse politie en het toezicht over de Nederlandse Rijks-en gemeentepolitie. Rauter begon meteen al in 1940 met de reorganisatie van de Nederlandse politie.

De politietroepen werden verdeeld over de Marechaussee, de Rijksveldwacht en de Gemeentepolitie. De Marechaussee ging van 1200 naar 4500 man en in plaats van het ministerie van Defensie bij het Ministerie van Justitie ondergebracht. De naam “Koninklijke” raakte men meteen ook kwijt. Bij het ministerie van Justitie kwam een nieuwe functie: directeur-generaal van politie.. De eerste was directeur-generaal was mr. Brants, voormalig procureur-generaal van het Haagse gerechtshof. In Schalkhaar werd een militaire kazerne omgebouwd tot een speciaal nationaal-socialistische opleidingsschool om de Nederlandse politie de ideeën van de SS bij te brengen.

In 1942 werd de hele Nederlandse politie onder de directeur-generaal van Politie geplaatst. De Gemeentelijke politiekorpsen werden per 1 maart 1943 “Staatspolitie”. De scheiding tussen rijks-en gemeentelijke politiezorg verdween, alles viel onder de directeur-generaal. In dezelfde maand werd directeur-generaal Brants vervangen door mr. J.J. Schrieke, een NSB-er. Hij voerde het bewind over vijf “gewestelijke politiepresidenten.
Schrieke kreeg nooit volledig grip op de politie. Er waren in veel korpsen wel “foute” politiemensen, oftewel NSB-ers. Ook ging de Nederlandse politie nogal laks om met de burgers. De Duitse bevelen werden vrijwel klakkeloos uitgevoerd. Daardoor kwam de politie bij de burgers in een slecht daglicht te staan. Dit duurde tot begin 1943. De Nederlandse politie begon veel minder stipt de bevelen uit te voeren en stelde vragen over het waarom. De volledige politiemacht bestond eind 1943 uit ongeveer 20.000 personen en omdat de bevelen wat laks werden uitgevoerd werden per maand tussen de 300 en 500 politiemensen ontslagen en vervangen door NSB-ers.

Welke uitrusting had een agent en wat waren de vervoermiddelen bij de politie?

Aan de uitrusting van de politie veranderde niet veel tijdens de 2e Wereldoorlog. Er kwam in deze tijd geen bewapening of uitrusting bij. Wel moest de agent desgevraagd zijn dienstwapen inleveren aan de Duitsers. De Duitsers vorderden meestal de revolver en sabel van een politieagent.
Ook de vervoermiddelen vielen ten prooi aan de Duitsers. Zowel de fietsen als auto’s werden door de Duitsers gevorderd. Het politiebureau aan de Zonneveldstraat te Leiden werd omgebouwd tot bunker en in gebruik genomen door de Duitsers. Ook werd er een Duitse officier van het leger commandant van de Leidse politie.
Door de Duitsers werden nieuwe dienstfietsen aangeschaft voor de politie, maar die waren van een zo slechte kwaliteit dat deze fietsen maar 3 maanden meegingen. Er werden dienstfietsen gestolen en door de slechte kwaliteit hield de Leidse politie aan het einde van de oorlog nog maar 23 fietsen over. Er werd een proef genomen met houten loopvlak op de achterbanden van de fiets om het schaarste van de rubberen buitenband op te kunnen vangen. Deze proef liep op niets uit en werd gestaakt.

Wat waren de werkzaamheden en wat het aanzien van de politie?

Vlak voor de tweede wereldoorlog was er een reorganisatie op touw gezet, dat de Gemeentepolitie in de steden te werk zou gaan en de Marechaussee en het Corps Rijkspolitie samen op het platteland hun politietaken zouden gaan uitvoeren. Alle 3 de politie organisaties zouden zich met burgerzaken gaan bemoeien.
Echter voor deze reorganisatie was geen tijd meer, want het ‘Duitschland erwache’ uitgeroepen door een Oostenrijkse schilderszoon, Adolf Hitler, op 30 januari 1933 in de kerk van Potsdam, verstomde pas nadat hij en zijn volgelingen met bruut geweld het neutrale Nederland in 1940 onder de voet hadden gelopen.

Vóór alles moest de weg vrij worden gemaakt. Ruim baan voor het transport van de Duitse Wehrmacht, dat ongehinderd en met voorrang moest doorgaan. Het gebruik van auto’s door Nederlanders was in 1941 al tot een kwart geslonken, doordat de benzine niet meer vrij te koop was. Er gebeurde dus minder (dodelijke) verkeersongevallen. Tegelijkertijd steeg het aantal fietsen fors. De politie schakelde dus over van autocontroles naar fietscontroles. Dat was niet helemaal vrijwillig, want de Duitsers ergerde zich dood aan dat ongedisciplineerde fietsende volk.
De “gewone” criminaliteit ging ook gewoon door. Misdrijven als diefstal, inbraak, mishandeling, moord enz. Voor de politie in de  buitendienst die daar meestal als eerst mee te maken had, kreeg daar steeds meer problemen mee naarmate de bezetting langer duurde en het georganiseerde verzet zich steeds meer begon te roeren. Bij moord bijv. was de eerste en belangrijkste vraag: Gaat dit om een “gewone” moord, of is het een liquidatie van een gevaarlijke nazi? De “gewone” criminele profiteerde daarvan. Handige jongens met een ruim geweten deden veel in de zwarte handel. Dat was strafbaar, maar voor de opsporing van de zwarte handel waren speciale opsporingsambtenaren aangesteld. 

In de loop van 1941 krijgt het “gewone” politiewerk een steeds grimmiger karakter. Ook politieagenten beginnen in te zien dat ze medeplichtig worden aan zaken (bijv. Jodenvervolging) die ze persoonlijk sterk afkeuren. Maar een politieagent had weinig keus. De gewone politieagent had voorlopig meer problemen met zijn eigen financiële toestand. In duizenden politiegezinnen was de grens van armoede overschreden. Voor sommige politieagenten was dit de druppel voor een overstap naar de NSB die een betere toekomst beloofde. 


Het jaar 1942 was voor de politie een jaar van crisis. De problemen zijn niet meer te ontlopen, iedere politieagent werd geconfronteerd met sabotage, overvallen, transport van (vaak joodse) arrestanten, acties van het verzet enz. De Duitsers en een groot aantal politiechefs die ook legerofficier waren vonden het tijd worden dat de ouderwetse politieagent eens wat meer militair werd. Om de politie ook die uitstraling te geven werd er een nieuw uniform ontworpen. Ook het groeten moest anders, van de vriendelijke lach naar de strakke blikken. Het uniform moest ‘correct’ zijn, het moest dus altijd goed zitten.

Als in 1943 Stalingrad valt komt de kentering. Duitsland was de oorlog aan het verliezen en als politieagent kon je alleen nog maar voor of tegen zijn. De twijfelende politieagent moest nu kiezen: ondergedoken mensen arresteren of zelf onderduiken, het verzet bestrijden of zelf deelnemen aan het verzet. Terwijl tientallen politieagenten onderdoken, meldde honderden nieuwe zich aan. Sommige van hen zal na de oorlog zelfs hogere functies krijgen.

Het verzet werd feller, net als het politie optreden. Het gewone politiewerk is niet meer los te maken van het politieke geweld. Het bestrijden van sabotage was het werk van de aparte organisatie “sicherheitspolitzie” maar de gewone politie moest behulpzaam zijn. Vanaf het voorjaar van 1943 staat op sabotage of poging daartoe de doodstraf. Wie iets tegen de bezettende macht ondernam of in bezit was van een wapen kreeg ook de doodstraf. Arrestaties, bewaking en transport van gevangen is nu dagelijks werk. De politie agent werd zelf verantwoordelijk gesteld. Iedereen poging van ontsnapping moest onmiddellijk met de vuurwapens opgelost worden. Geen waarschuwingsschoten, maar direct gericht. Wie een gevangene liet ontsnappen werd zelf gestraft of ontslagen.
Tijden de oorlog gingen er veel mensen bij de politie om zichzelf te beschermen. Ze kregen een vuurwapen en een legitimatiebewijs. Er werden speciale spoedcursussen gegeven om snel aan nieuwe politie agenten te komen. Veel politieagenten waren aangesloten bij de NSB.